Ørsted Analist: Jasper Thysens, CFA

Print deze pagina

Algemene gegevens

  • Datum: 30/06/2021
  • Koers opmaak studie: 880 DKK
  • Huidige koers: 930.6 DKK
  • Marktkapitalisatie: 376,5 miljard DKK
  • Secteur: Energie
  • Markt: Kopenhagen
  • ISIN: DK0060094928

Conseil de l'analyste

  • 734,00 DKK
  • 971,00 DKK

Advies: Conserver

Grafiek

Bron: Dierickx Leys

Indicatoren

Croissance

Stabilité

Qualité

Valeur

Activiteiten:

Ørsted is een Deense multinational die zichzelf het afgelopen decennium transformeerde van traditionele olie- en gasmaatschappij tot wereldleider in de ontwikkeling en exploitatie van offshore windmolenparken in voornamelijk kernmarkten Denemarken, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en Nederland. Het bedrijf heeft ongeveer een vierde van de globale offshore windenergiemarkt in handen (China niet meegerekend) en beschikt zo over een offshore-opwekkingscapaciteit van ongeveer 7,6 gigawatt. Het verkoopt de opgewekte elektriciteit aan o.a. overheden en grote bedrijven via lange-termijn contracten (“Power Purchase Agreements”) die stabiele en voorspelbare kasstromen opleveren. Daarnaast bouwt en beheert het bedrijf ook onshore windmolenparken in de Verenigde Staten (1,7 GW) en tracht het zijn aanwezigheid op de Aziatische markten uit te breiden. Om de activiteitenmix meer te diversifiëren wil Ørsted de komende jaren tevens sterk inzetten op zonne-energie en waterstof. Tegen 2030 doelt het bedrijf op een totale opwekkingscapaciteit van hernieuwbare energiebronnen van 30 gigawatt. De Deense staat heeft nog steeds 50,1% van de aandelen in bezit.

Een indrukwekkende (duurzame) transformatie

De Deense overheid richtte het bedrijf 'Dansk Olie & Naturgas' (kortweg 'DONG') op naar aanleiding van de oliecrisis van 1973 om zelf olie en gas uit het Deense deel van de Noordzee te winnen en zo minder afhankelijk te worden van het Midden-Oosten voor de aanvoer van fossiele brandstoffen. Mede dankzij de liberalisering van de Deense energiemarkt fuseerde het bedrijf in 2006 met vijf Deense elektriciteitsbedrijven en werd de naam van het energiebedrijf gewijzigd in 'DONG Energy'. Naast de olie- en gas-gerelateerde activiteiten omvatte de groep nu ook steenkoolcentrales. Dezelfde olieschok die aan de basis lag van DONG leidde er immers ook toe dat Denemarken voor de productie van energie en masse omschakelde van oliecentrales naar steenkoolcentrales. Als dusdanig was DONG Energy eigenhandig verantwoordelijk voor ongeveer een derde van de CO2-uitstoot van het land, wat naarmate de bewustwording rond de klimaatverandering zorgde voor de nodige kritiek. Eén van de gefusioneerde elektriciteitsbedrijven (Elkraft) bouwde in 1991 echter 's werelds eerste windmolenpark ter zee en plantte zo een zaadje dat in 2008, kort voor de VN-Klimaatconferentie van Kopenhagen in 2009, zou uitgroeien tot een radicale strategische ommezwaai richting hernieuwbare energie, weg van fossiele brandstoffen.

Ondanks intern verzet en scepticisme vanuit de Deense overheid werd de nieuwe strategie standvastig doorgedreven. Het uiteindelijke doel was dat hernieuwbare energiebronnen tegen 2040 zouden instaan voor 85% van de energieproductie. In 2012 schakelde deze duurzame transformatie enigszins ongepland enkele versnellingen hoger. Een overaanbod van steenkool deelde de aardgascentrales zware klappen uit, terwijl de kapitaalintensieve investeringen in offshore windparken de schuldpositie stevig de hoogte in duwde. Een nakende ratingverlaging door Standard & Poor's leidde tot de beslissing om verschillende bedrijfsonderdelen versnelt van de hand te doen en zich enkel nog toe te spitsen op offshore windenergie en olie- en gaswinning. 

In de daarop volgende jaren bleef het bedrijf intensief investeren in offshore windenergie en desinvesteerde het nagenoeg alle steenkool-, olie- en gas-gerelateerde activiteiten. Omdat de bedrijfsnaam uiteindelijk niets meer te maken had met de eigenlijke activiteiten werd het bedrijf in 2017 omgedoopt tot Ørsted, een verwijzing naar de Deense fysicus Hans Christian Ørsted, die in het begin van de 19e eeuw het verband aantoonde tussen elektriciteit en magnetisme en zo mee de basis legde voor de opwekking van windenergie. Het oorspronkelijke doel werd maar liefst 21 jaar vroeger dan voorzien behaald en tegen 2025 zal ongeveer 99% van de productie van Ørsted afkomstig zijn van hernieuwbare energiebronnen. De weg die het bedrijf aflegde is toonaangevend voor een industrie die zich anno 2021 meer dan ooit genoodzaakt ziet te verduurzamen.

Ørsted: verdeling EBITDA in % (2020)

Source: Ørsted

Conclusie

Ørsted heeft de afgelopen jaren een indrukwekkende transformatie achter de rug van traditionele olie- en gasmaatschappij tot wereldleider in de ontwikkeling en exploitatie van offshore windmolenparken. De verschillende overheidsinspanningen rond decarbonisatie zorgen voor een wereldwijde acceleratie van investeringen in hernieuwbare energie, waardoor Ørsted zijn strategische ambities fors opwaarts bijstelde. Het bedrijf ambieert marktleider te blijven in offshore windenergie, maar wil daarnaast ook bij de wereldtop behoren wat betreft onshore windenergie, zonne-energie en groene waterstof. Wel moet het bedrijf steeds meer rekening houden met de intrede van traditionele energiespelers die eveneens hun CO2-uitstoot trachten te verlagen, alsook met minder genereuze subsidiemechanismen voor toekomstige projecten. Deze evoluties kunnen de toekomstige rendabiliteit mogelijks onder druk zetten, al verwacht het management ook voor nieuwe projecten een interne-opbrengstvoet die tussen de 1,5%-3% boven de gewogen gemiddelde kost van kapitaal zal uitkomen, wat overeen zou komen met een ROCE tussen de 11%-12%.

Het momentum rond duurzaamheid is voor Ørsted een tweesnijdend zwaard. De ambitieuze doelstellingen rond hernieuwbare energie zorgen voor een groeiende duurzame energiemarkt waarin het bedrijf als wereldleider in offshore windmolenparken een belangrijke rol kan spelen, maar tegelijk ook voor felle concurrentie die de toekomstige rendabiliteit onder druk zet. De hamvraag hierbij is of Ørsted competitief sterk genoeg zal staan om zijn leiderspositie te behouden. Net als heel wat andere aandelen die kaderen in het duurzame thema zagen we ook bij Ørsted een stevige ontluchting van de koers (-33% YTD). Het aandeel noteert zo aan een verwachte koers-winstverhouding van 32, een verwachte EV/EBITDA van ongeveer 16, ofwel 4 keer de boekwaarde. Dit geeft een eerder bescheiden dividendrendement van ongeveer 1,3%. Op basis van voorgaande starten we de opvolging van Ørsted met een HOUDEN advies.

Nieuws

STRATEGIEUPDATE 2021

De afgelopen periode stippelden verschillende overheden ambitieuze en concrete plannen uit rond hernieuwbare energie in de strijd tegen de klimaatverandering. Zo presenteerde de Europese Commissie in 2020 haar doelstelling om de offshore windcapaciteit tegen 2030 op te trekken van 12 GW tot minstens 60 GW en tegen 2050 tot maar liefst 300 GW. Biden kondigde ook reeds zijn doel aan om 100% van de elektriciteitsopwekking in de VS koolstofvrij te maken tegen 2035 en stelt zo ook stelselmatig delen van de Oost- en Westkust beschikbaar voor windmolenparken.

Op basis van deze wereldwijde acceleratie van investeringen in hernieuwbare energie heeft Ørsted zijn strategische ambities fors opgetrokken. Zo wil het bedrijf de geïnstalleerde capaciteit tegen 2030 optrekken van 12 GW tot 50 GW (voorheen 30 GW) en voorziet het een investeringsbudget van ongeveer 350 miljard DKK voor de periode 2020-2027, wat een stijging van de gemiddelde jaarlijkse investeringen betreft van ongeveer 50%. Ørsted ambieert marktleider te blijven in offshore, maar wil daarnaast ook bij de wereldtop behoren wat betreft onshore wind, zonne-energie en groene waterstof. Van de 50 GW aan opwekkingscapaciteit zou ongeveer 30 GW komen van offshore wind, 17,5 GW van onshore wind- en zonne-energie en 2,5 GW van duurzame biomassa, groene waterstof en duurzame brandstoffen.

Tot 2027 verwacht het bedrijf een gemiddelde jaarlijkse EBITDA-groei komende van de operationele offshore en onshore activa van ongeveer 12%, waarbij verondersteld wordt dat alle offshore projecten voor 50% verkocht worden aan partners. Verder verwacht het voor nieuwe projecten een interne-opbrengstvoet (IRR), zonder de positieve effecten van schulden (unleveraged) en meerwaarden mee te rekenen en na aftrek van zowel directe als indirecte kosten (fully loaded), die tussen de 150-300 basispunten hoger zal liggen dan de gewogen gemiddelde kost van kapitaal (WACC). Dit zou overeenkomen met een opbrengst op het kapitaal (ROCE) tussen 11-12%. Het dividendbeleid blijft ongewijzigd en voorziet een jaarlijkse stijging rond de 7,5% ("high single digit growth"). 

Resultaten

Fiscaal boekjaar (in Mio) 2016 2017 2018 2019 2020 2021 E
Omzet 57 39259 70975 52070 39850 15157 520
Operationele winst 11 68216 40923 12211 6088 93916 105
Nettowinst 8 04619 43518 2517 18115 5989 904
Boekwaarde per aandeel 124,54130,39163,05173,85193,58226,61
Winst per aandeel 18,0144,5542,4015,5035,9722,38
Koers/Winst 15810443539
Dividend 6,009,009,7510,5011,5011,50
Dividendrendement 2,24%2,66%2,24%1,52%0,92%1,33%
Bron: Bloombergin DKK


Resultaten eerste kwartaal 2021

  • De omzet steeg in Q1 jaar-over-jaar met 23% tot 18,9 miljard DKK, gedreven door de desinvestering van de offshore transmissielijnen van Hornsea 1 en een algemeen gunstiger prijsklimaat overheen alle markten.
  • De brutobedrijfswinst (EBITDA) daalde in Q1 jaar-over-jaar met 29% tot 4,9 miljard DKK. Deze daling werd gedreven door een hoge vergelijkingsbasis, significant lagere windsnelheden overheen de offshore windparken, en een geboekte garantieprovisie van 800 miljoen DKK inzake problemen aan de kabelbeveiligingssystemen. Gecorrigeerd voor deze niet-recurrente effecten daalde de EBITDA met 3,3%.
  • De operationele winst (EBIT) daalde met 42% tot 2,9 miljard DKK.
  • De nettowinst daalde met 52% tot 1,6 miljard DKK.

Positieve punten 

  • Offshore: De omzet steeg jaar-over-jaar met 67% tot 13,3 miljard DKK, voornamelijk gedreven door de verkoop van de offshore transmissielijnen van Hornsea 1 (+5 miljard DKK) en significant hogere energieprijzen t.o.v. vorig jaar (+0,8 miljard DKK). De EBITDA daalde daarentegen met 30% tot 3,9 miljard DKK, voornamelijk gedreven door lagere windsnelheden (impact van ongeveer 0,9 miljard DKK), het wegvallen van de subsidies van een Deens windpark, een hoge vergelijkingsbasis m.b.t. inkomsten uit partnerships en een geboekte garantieprovisie van 800 miljoen DKK inzake problemen aan de kabelbeveiligingssystemen.
  • Onshore: De omzet daalde jaar-over-jaar met 12% tot 120 miljoen DKK, voornamelijk vanwege lagere energieprijzen voor de delen die niet onder een PPA (lange termijn contract) vielen. De EBITDA steeg evenwel met 22% tot 228 miljoen DKK, voornamelijk gedreven door de opstart van nieuwe windparken en gedeeltelijk tegengehouden door de wintercrisis in Texas.
  • Groene energie: Het aandeel van opgewekte energie afkomstig van hernieuwbare bronnen daalde de afgelopen maanden met 3 procentpunt tot 87%, gedreven door een hogere productie van de steenkoolcentrales.
  • Overname Brookfield Renewable Ireland: Ørsted vervolledigde in april de overname van de Britse en Ierse onshore windactiviteiten van Brookfield Renewable Partners, dat voor 48% in handen is van Brookfield Asset Management, voor een totaal bedrag van $684 miljoen. De overgenomen activiteiten omvatten voor 389 MW aan operationele activa en activa in opbouw, alsook 1,15 GW aan projecten in ontwikkeling. Met deze overname doet het bedrijf zijn intrede in de Europese onshore windenergiemarkt, waarvan het de komende jaren sterke groei verwacht.
  • Baltica: De offshore windparkprojecten Baltica 2 & 3, die onderdeel uitmaken van een 50/50 joint venture met het Poolse energiebedrijf PGE en samen een opwekkingscapaciteit vertegenwoordigen van 2,5 gigawatt, kregen een CFD (i.e. Contract Of Difference) toegewezen door de Poolse energie-regelgever. Ørsted is zo betrokken bij de ontwikkeling van de eerste windmolens in de Poolse sector van de Baltische zee. Tegen 2030 wil het land 5,9 GW aan offshore opwekkingscapaciteit.
  • Outlook: Het management verwacht voor 2021 een EBITDA tussen 15-16 miljard DKK, in het beste geval een daling van ongeveer 7%. Verder voorziet het tussen 32-34 miljard DKK aan investeringen (exclusief de overname van Brookfield Renewable Ireland).

Negatieve punten 

  • Problemen kabelbeveiligingssysteem: Ørsted ontdekte een probleem met het kabelbeveiligingssysteem dat mogelijks 10 verschillende windmolenparken kan impacteren. Het bedrijf zal proactief aanpassings- en herstelwerken uitvoeren en schat de totale financiële impact hiervan op ongeveer 3 miljard DKK overheen de komende drie jaar, waarvan 800 miljoen DKK een garantieprovisie betreft om eventuele kosten t.o.v. partners te dekken. De lange termijn guidance blijft echter intact.
  • Netto schuld: De aangepaste netto schuld steeg met 12,4% tot 29,5 miljard DKK. 

SWOT

Sterktes 

  • Track record: De succesvolle transformatie van traditionele olie- en gasmaatschappij tot wereldleider in de ontwikkeling en exploitatie van offshore windmolenparken (zie korte geschiedenis bovenaan deze pagina) is een testament voor de visie en capaciteiten van het management. Door het voortouw te nemen in de ontwikkeling, de constructie en het beheer van offshore windmolenparken bouwde het bedrijf eveneens heel wat expertise en knowhow op waardoor het geniet van een sterke competitieve positie. Immers, hoe efficiënter het ontwikkelingsproces en hoe optimaler het design van het windmolenpark, hoe lager de kosten en hoe hoger het rendement van de projecten.
  • Lange-termijn contracten: Ørsted heeft een hoge visibiliteit op de toekomstige inkomsten gezien ongeveer 90% van de brutobedrijfswinst (EBITDA) afkomstig is van gereguleerde (lees: gesubsidieerde) of contractueel (PPA's) vastgelegde activiteiten waarvan de gemiddelde looptijd ongeveer 16 jaar bedraagt. Ter info: Via zogenaamde "Power Purchase Agreements" verkoopt het bedrijf rechtstreeks stroom aan bedrijven ("corporate PPA's") als aan energieleveranciers ("merchant PPA's"). Beide partijen genieten hierdoor van een stabiele en voorspelbare elektriciteitsprijs, al kan een significante stijging of daling van de marktprijs uiteraard nadelig uitvallen voor één van de partijen. Ørsted heeft bijvoorbeeld PPA's afgesloten met Covestro (100 MW), Amazon (250 MW) en TSMC (900 MW - vaste prijs over 20 jaar).
  • Build, Sell, Operate (BSO) model: Ondanks de activiteiten van Ørsted erg kapitaalsintensief zijn blijft de schuldpositie van het bedrijf enigszins beperkt. Dit is te danken aan het 'Farm-down'- ofwel 'Build, Sell, Operate'-model, een financieringstechniek waarbij Ørsted een belang (gewoonlijk de helft) in zijn projecten pre-constructie verkoopt aan institutionele investeerders (bv. pensioenfondsen) met interesse in stabiele inkomsten over de lange termijn. Het bedrijf biedt zo in feite een sleutel-op-de-deur overeenkomst, waarbij het ook na oplevering blijft instaan voor het beheer van het windpark. De cash die vrijkomt door de activa als dusdanig te roteren kan dan weer gerecycleerd worden in nieuwe projecten.
  • Schaalvoordelen: Door zich toe te spitsen op offshore windparken en deze naargelang mogelijk zo groot als mogelijk te bouwen geniet het bedrijf van belangrijke schaalvoordelen. De schaalgrootte was dan ook essentieel om een voldoende hoge rendabiliteit te behalen en de omschakeling naar offshore wind te doen slagen.
  • Gezonde balans: Het bedrijf beschikt over een stabiele balans, met een solvabiliteitsgraad van ongeveer 36%, een ratio aangepaste netto schuld over EBITDA van ongeveer 1,97, een brutobedrijfswinst die de interestlasten meer dan 10 keer dekt en een current ratio (liquiditeitsgraad) van 1,5. Het bedrijf krijgt van Moody's en S&P een kredietrating van respectievelijk Baa1 en BBB+ met stabiele outlook. 
  • Stabiel dividend: Het dividend is de laatste jaren gemiddeld gestegen met ongeveer 17,5% en werd sinds de beursgang in 2016 nog nooit neerwaarts bijgesteld. In de laatste strategie-update (zie 'Nieuws') stelt het management dat het dividendbeleid alvast tot 2025 ongewijzigd zal blijven en dus voorziet in een jaarlijkse stijging rond de 7,5% ("high single digit growth").

Zwaktes 

  • Kapitaalintensief: Het bouwen van windmolenparken is erg kapitaalintensief, wat zich dan ook vertaalt in een doorgaans lage vrije kasstroom en een eerder bescheiden dividend.
  • Constructierisico: Het bedrijf is verantwoordelijk voor de gehele totstandkoming van de windmolenparken en kan mogelijke cost overruns niet doorschuiven naar eventuele partners. Het bedrijf draait ook op voor herstelkosten na oplevering onder een garantieregeling.
  • Windsnelheid: De performantie van de windmolenparken is voor een groot stuk afhankelijk van (u raad het nooit) de wind. Wanneer de windsnelheid te laag is zal er geen stroom geproduceerd worden. Bij een te hoge windsnelheid zullen de windturbinebladen afgeremd  worden.

Opportuniteiten 

  • Shift naar hernieuwbare energie: Zowel de Europese Commissie (Europese Green Deal) als de Biden administratie leggen sterk de nadruk op decarbonisatie en verweefden zo ook verschillende duurzaamheidsinitiatieven in hun economische herstelplannen. Hierdoor zal de vraag naar elektriciteit verder toenemen ten nadele van fossiele brandstoffen. Immers, elektriciteit kan via koolstofarme energiebronnen geproduceerd worden en ziet steeds meer eindtoepassingen die klassiek gedreven werden door olie en gas (denk bijvoorbeeld aan de opkomst van de elektrische wagen). Het grootste deel van de elektriciteitsproductie gebeurt echter nog steeds op basis van fossiele brandstoffen. In 2017 werd 64,5% van de wereldwijde elektriciteit gegenereerd door a.d.h.v. steenkool, olie en aardgas. Er blijft dus nog een aanzienlijke runway voor investeringen in hernieuwbare energiebronnen. Op basis van de verschillende overheidsinspanningen rond duurzaamheid verwacht Ørsted dat de capaciteit van hernieuwbare energie tegen 2030 zal verdrievoudigen.
  • Technologische vooruitgang en dalende kosten: De kostprijs van offshore windenergie daalde het afgelopen decennium veel sneller dan verwacht (-60%), o.a. te danken aan de introductie van competitieve veilingen voor subsidies, het vergaren van knowhow waardoor de projectrisico's verminderden, de ontwikkeling van nieuwe turbine-technologieën (lees: grotere turbines), en het uitvoeren van steeds omvangrijkere projecten (schaalvoordelen). Weet bijvoorbeeld dat het eerste offshore windmolenpark (Vindeby - 1991) bestond uit 11 windmolens waarvan de turbines een diameter hadden van 35 meter, terwijl Hornsea 2, dat zich in 2022 het grootste windmolenpark ter wereld zal mogen noemen, 165 turbines omvat met elks een turbine van 167 meter in diameter. Deze turbines worden aangeleverd door Siemens Gamesa, voor 67% in bezit door Siemens Energy. Naar verwachting zal de kostprijs voor onshore en offshore windenergie tegen 2050 nog eens dalen met respectievelijk 37% en 49%. De keerzijde van deze medaille is dat overheden hierdoor steeds minder geneigd zullen zijn om subsidies toe te kennen voor projecten rond windenergie (zie bedreigingen). Immers, indien de productie van stroom goedkoper is met windmolens t.o.v. steenkool, olie en gas, dan geeft de vrije markt op zichzelf voldoende reden om hierin te investeren.

Bedreigingen 

  • Dispuut Deense fiscus: Eind 2020 ontving Ørsted een claim van de Deense belastingdienst voor verschuldigde belastingen ten belope van 6,6 miljard DKK (ongeveer 887,5 miljoen EUR) op de Britse windparken Walney Extension en Hornsea 1 voor de fiscale jaren 2015 en 2016. De Deense fiscus meent dat de toekomstige waarde van deze projecten tot stand kwam tijdens de ontwerpfase in Denemarken en hierdoor onderworpen zijn aan Deense belastingen. Ørsted verwerpt deze redenering en stelt dat de windparken ontwikkeld werden door, in eigendom zijn van, en beheerd worden door Britse dochtermaatschappijen en aldaar belast worden. Het bedrijf zal de claim aanvechten en daarnaast ook trachten gesprekken te initiëren tussen de Deense en Britse belastingsautoriteiten om dubbele taxatie te vermijden. Indien in het nadeel van Ørsted beslist wordt betekent dit een stevige financiële aderlating voor het bedrijf, alsook een gevaarlijk precedent voor bijkomende gevallen van dubbele taxatie.
  • Stijgende concurrentie vanuit de olie-en gasindustrie: De druk op de traditionele olie- en gasindustrie om hun uitstoot van broeikasgassen te verminderen wordt door nagenoeg alle stakeholders (overheden, bedrijven, aandeelhouders,...) almaar opgedreven in het kader van de klimaatproblematiek. Verschillende traditionele olie- en gasspelers zoals o.a. BP, Equinor, Shell en TotalEnergies investeren daarom steeds meer in projecten rond hernieuwbare energie. Zo lanceerde kersvers BP CEO Bernard looney bijvoorbeeld een ambitieus plan om de olie- en gasproductie van het bedrijf terug te dringen met 40% tegen 2030 en de investeringen in hernieuwbare energie te vertienvoudigen tot $5 miljard per jaar.
  • Stijging leaseprijzen zeebeddingen: Het betreden van de offshore windmarkt door 'Big Oil' leidt er toe dat de leaseprijzen van beschikbare zeebodem (om een windmolenpark op te bouwen) sterk de hoogte in schieten. Ørsted vreest dat toekomstige projecten hierdoor minder rendabel zullen worden en doet een oproep aan overheden om dringend meer zeebodemoppervlakte beschikbaar te stellen en de vergunningsprocessen te stroomlijnen. In het Verenigd Koninkrijk, een belangrijke markt voor Ørstedvoerde 'The Crown Estate' nu ook een veilingsysteem in voor de ontwikkelingsrechten op een bepaald stuk zeebodem. De ontwikkelaar die het meest wil betalen aan jaarlijkse optie-fee's om de voorbereidende (lees: pre-constructie) werken te mogen uitvoeren (bv. het onderzoeken van de milieu-impact, het meten van de wind, het ontwerp van het windmolenpark, het plannen van de verbinding met het stroomnet,...) wint. Die voorbereidende werken mogen maximaal 10 jaar duren, maar de hoge jaarlijkse optie-fee's zetten heel wat druk om het proces zo snel als mogelijk af te ronden. Indien de ontwikkelaar uiteindelijk beslist om de constructie te starten, zal hij de optie kunnen uitoefenen en start een 60-jaar durende huurovereenkomst waarbij de jaarlijkse huur gelijk is aan ongeveer 2% van de omzet.
  • Minder gunstige subsidie-omgeving: Er zijn verschillende soorten subsidiemechanismen die overheden inschakelen om de transformatie naar hernieuwbare energie te stimuleren. Eén van de meer populaire systemen zijn de zogenaamde 'sliding feed-in premiums', ook wel gekend als 'Contracts for Difference' (CFD). Het betreft opnieuw een veilingsysteem waarbij producenten van hernieuwbare energie (dus niet enkel van windenergie) het tegen elkaar opnemen om een zo laag als mogelijke gegarandeerde prijs (strike price) per geproduceerde MWh te vereisen voor een bepaalde periode (doorgaans 12-15 jaar). De producenten die m.a.w. het goedkoopst hernieuwbare energie kunnen genereren, ofwel bewust opteren voor een lager rendement op hun investering, winnen deze CFD's waardoor ze gedurende de looptijd van het contract genieten van een vaste energieprijs. Ontwikkelaars die hopen om hun hoge optie-fee's (zie puntje hierboven) te recupereren via een hogere strike price worden hierin beperkt door de competitiviteit van de CFD-veilingen. Indien een ontwikkelaar naast de CFD grijpt, kan hij nog wel zijn prijsrisico (merchant risk) indekken via een PPA (zie sterktes hierboven) of het marktprijsrisico aanvaarden. Worst case kan er beslist worden het project simpelweg niet uit te voeren.
  • Geen subsidies: Zoals hierboven reeds aangehaald zijn overheden minder geneigd om subsidies uit te delen aan projecten die op zichzelf marktcompetitief zijn. Vanwege de aanhoudende daling van de kostprijs van zowel onshore als offshore windparken staan de subsidiemechanismen voor dit type hernieuwbare energie dan ook onder druk. Er kan in eerste instantie beslist worden om windmolenparken gradueel meer bloot te stellen aan de marktprijs van energie, gaande van CFD's, naar fixed feed-in's (vaste vergoeding bovenop de marktprijs), naar groene certificaten. Echter, niemand garandeert een dergelijke gefaseerde overgang. Overheden kunnen namelijk ook beslissen om windmolenparken niet langer te subsidiëren en hun stimulus heroriënteren naar andere technologieën die het echt nodig hebben zoals producenten van groene waterstof, floating wind en/of batterijtechnologieën. Een onverwachte intrekking van subsidies zal leiden tot een hogere gewogen kost van kapitaal en kan als dusdanig zowel institutionele investeerders (zie BSO-model bij sterktes) als aandeelhouders afschrikken die oorspronkelijk werden verleid door de stabiele en voorspelbare inkomstenstromen. In 2017 werd het eerste 'zero-subsidy' wind-contract toegewezen en de verwachting is dat dit stelselmatig zal vermeerderen.

Overzicht historische adviezen

Date Koers Advies
30/06/2021 880 DKK Houden

Lexicon

Lectuur in de financiële sector bevat zeer vaak zeer specifieke begrippen. Vanzelfsprekend gebruiken ook onze analisten gespecialiseerde financiële termen in de publicaties. Om u wegwijs te maken in het vakjargon vindt u hier een verklarende woordenlijst van deze financiële begrippen.

Disclaimer

  • Deze aandelenstudie is een publicatie van Dierickx Leys Private Bank. Ze is opgesteld op basis van zorgvuldig geselecteerde bronnen en eigen onderzoek en volgens degelijke hypotheses, zonder dat de juistheid en volledigheid ervan gegarandeerd kan worden. Ze bevat opinies die op datum van publicatie geldig zijn maar in de toekomst kunnen wijzigen. De bank is niet verantwoordelijk voor enige schade die uit deze adviezen zou voortvloeien.

  • Materiële informatiebronnen zijn de publicaties (o.a. persmededelingen) en jaarrekeningen van de bedrijven in kwestie die geanalyseerd worden, analyses en studies van grootbanken en berichtgeving in gespecialiseerde financiële pers.

  • De studie is gebaseerd op een eigen fundamentele analyse van de betreffende onderneming, rekening houdende met kasstromen, winstevolutie, groei, stabiliteit en kwaliteit van het management. Fundamentele analyse heeft tot doel een inschatting te maken van de huidige intrinsieke waarde van een onderneming en haar meest waarschijnlijke evolutie, binnen de activiteitssector en de geografische zone waarin ze bedrijvig is. Hierbij worden ook de relevante macro-economische factoren in beeld gebracht. De daaruit voortvloeiende aanbevelingen zijn gebaseerd op een langetermijnperspectief. De studie wordt aangepast na de publicatie van de resultaten (per kwartaal of halfjaarlijks) of tussentijds indien er zich belangrijke gebeurtenissen voordoen.

  • Deze publicatie betreft geen gepersonaliseerde beleggingsaanbeveling. De beleggingsinstrumenten vermeld in deze publicatie zijn niet geschikt voor alle beleggers. Er dient rekening gehouden te worden met de doelstellingen, financiële draagkracht, kennis, ervaring en risicokenmerken van de belegger. Vraag raad aan uw beleggingsadviseur.

  • Deze studie is uitgewerkt volgens interne en wettelijke richtlijnen i.v.m. onafhankelijk onderzoek, sperperiodes en functiescheidingen, die opgevraagd kunnen worden bij de juridische dienst van de bank.
    De bank heeft geen belangen in de vermelde maatschappijen en onderhoudt er geen zakenrelatie mee, maar de bank of haar medewerkers kunnen mogelijk wel een positie aanhouden in vermelde effecten of afgeleide effecten.

  • Deze aandelenstudie werd niet voorgelegd aan de emittent.

  • De gegevens in vreemde valuta zijn onderhevig aan fluctuaties van de wisselkoers. Deze kunnen het rendement beïnvloeden.
    De vermelde historische resultaten en prognoses zijn geen betrouwbare indicator voor toekomstige resultaten.

  • De bevoegde autoriteit is de FSMA.

  • Overname uit deze publicatie is toegelaten mits bronvermelding.